Gepubliceerd in: Civis Mundi, Tijdschrift voor politieke filosofie en cultuur, januari 2004

Nederlandse identiteit als basis voor burgerschap – Een antropologische visie

Dirck van Bekkum

Der Mensch ist das Tier, das nach seiner Herkunft fragt…
(Peter Sloterdijk)

SAMENVATTING

1. Migratie als permanent verschijnsel

In januari 2003 verscheen van Civis Mundi een themanummer over inburgering. Daarin formuleren Couwenberg, Cliteur, Kalk, Entzinger, Pinto en Vis hun visie op en benadering van inburgering van nieuwkomers. In die bijdragen bleven enkele kernaspecten van inburgering onderbelicht. Dit betreft vooral inzichten uit historische en cultuurvergelijking. Inburgering vanuit een antropologische bril is een van de manieren waarop leden volwaardig lid van een samenleving worden. Het is een van de centrale thema’s in de culturele antropologie. Naar invoegen van 'vreemden' en 'buitenstaanders' in een voor hen onbekende samenleving hebben antropologen veel onderzoek gedaan. Grofweg worden die processen door antropologen aangeduid als acculturatie, enculturatie en socialisatie. In dit artikel zullen antropologische uitgangspunten aan de orde komen. Aan de hand van voorbeelden van inburgering van jonge mannen in de Nederlandse cultuur worden actieve internalisering van een nationale identiteit voor alle Nederlanders, en moeilijkheden daarbij, benoemd.

Inburgering zou niet nodig zijn wanneer alle mensen dezelfde taal spraken en er dezelfde gewoontes op na hielden. Onder de mens als zoogdiersoort bestaat echter een enorme variatie. Die is evolutionair bepaald. Zonder het voortdurende ontstaan van biologisch-culturele diversiteit nemen aanpassingsmogelijkheden en daarmee de overlevingskansen van de mens als soort en van menselijke groepen af. De menselijke diversiteit is ontstaan over een zeer lange tijd, maar korter dan lang gedacht. Recent DNA onderzoek wijst op migratie van kleine groepen vanuit Afrika naar andere continenten 60.000 tot 100.000 jaar geleden. De huidige menselijke diversiteit is ontstaan in grofweg 80.000 jaar en was alleen mogelijk door een voortdurende wisselwerking tussen genetische isolatie en genetische uitwisseling. Opsplitsen, uitwisseling en vermenging tussen groepen vond altijd al plaats. Tienduizenden jaren zwierven mensen in groepen over de aardbol. In Europa verschenen omstreeks 40.000 jaar geleden de eerste groepen mensen. Veel van onze huidige menselijke (ver)houdingen, maat en regelmaat zijn gevormd in vele millennia. Wanneer we valide uitspraken over menselijk gedrag en multicultureel samenleven willen doen is een combinatie van historische en cultuurvergelijking een bruikbaar epistemologisch ijkpunt voor kennisproductie.

Al sinds de dageraad der mensheid heeft er tussen menselijke groepen een proces plaatsgevonden van uitwisseling van personen, objecten, kennis en kunde. Dit proces wordt diffusie genoemd. Het is een antropologisch sleutelconcept dat in de eerste decennia van deze eeuw ontwikkeld is door de antropoloog Franz Boas en zijn collega's. Het verwijst naar beïnvloedingsprocessen tussen culturen, zoals die onder andere door migratie kunnen ontstaan. De mensheid zou er zonder migratie niet uit zien zoals ze nu doet. Migratie is een permanent verschijnsel en is te herleiden tot de nomadische levensvorm. Die is de laatste tweeduizend jaar sterk afgenomen ten gunste van de sedentaire (vaste woonplaats-) vorm. Migratie bleef echter bestaan, bijvoorbeeld in het kader van oorlogsvoering en vervolging, expansionisme, kolonisatie en internationale handel. In de afgelopen eeuwen werden met regelmaat bepaalde bevolkingsgroepen vervolgd en uit hun natuurlijke omgeving verdreven zoals bijvoorbeeld de Joden en de Hugenoten. Zij moesten dan een heenkomen in andere landen zoeken. Ook 'gelukszoekers', kleine groepjes mensen die uit economische motieven hun heil in een nieuwe omgeving gaan beproeven, zijn van alle tijden. De mobiliteit van mensen en het transport van informatie hebben sinds het begin van de 20e eeuw een grote vlucht genomen. Er lijkt nu een periode aangebroken te zijn waarin de migratie een ongekende omvang bereikt. De uitwisseling tussen de verschillende culturen verloopt dan ook in een zeer hoog tempo. Zo snel zelfs, dat er momenteel in veel delen van de wereld reacties ontstaan tegen te grote en te snelle verande¬ringen in zekerheden en vanzelfsprekendheden.

2. Inburgering als wederkerig proces

Zo ook in Nederland. In 1945 waren er 10 miljoen Nederlanders, nu bijna 16 miljoen. Daarvan zijn er ongeveer 1,5 miljoen Nederlanders met een migratie achtergrond. In de grote steden wonen, werken en leven meer dan 100 etniciteiten en nationaliteiten naast elkaar. Deze mensen hebben echter veelal niet méér met elkaar te maken dan toevallige passanten bij een bushalte. Als het niet hoeft, zoekt men geen contact met elkaar. Als eindstation stellen sommigen zich een multiculturele samenleving voor: een samenleving waarin mensen met verschillende etnische en culturele achtergronden met elkaar interacteren. De meest slijtvaste drempels die dit tegenhouden zijn opgebouwd uit bestaande machtsstructuren, angst voor het vreemde, superioriteitsgevoelens, vooroordelen en discriminatie. Het feit dat het zelfbeeld, en daarmee het houvast in een turbulente wereld, verbonden is met cultureel bepaalde opvattingen over 'goed, beter, best' is de oorzaak van angst voor en weerstand tegen andere normen en waarden. Het is een universeel menselijke eigenschap om de eigen cultuur als de maat der dingen te zien. Dit verschijnsel wordt in de antropologie 'etnocentrisme' genoemd. Werkelijke interactie tussen mensen met verschillende culturele achtergronden vereist een bereidheid om de eigen rotsvaste overtuigingen te relativeren. In een waarlijk multiculturele samenleving zijn de drempels bij alle wezenlijke voorzieningen geslecht en zijn deze toegankelijk geworden voor alle bevolkingsgroepen, ongeacht hun etnische achtergrond. Migratie brengt met zich mee dat de samenleving in haar geheel maar vooral ook de migranten, die uit een sociaal-economisch en cultureel vaak zeer verschillend deel van de wereld komen, in een ingrijpende overgangssituatie verkeren.

De aanleiding om dit essay te schrijven ligt in het openingsartikel van Couwenberg in het themanummer over inburgering van Civis Mundi januari 2003. Zijn doorwrochte visie heeft specifieke (historische) componenten die prima aansluiten bij een antropologische blik. In zijn bijdrage sluit hij aan bij Scheffer die in 1996 betoogde dan 'inburgering van migranten de inburgering van Nederlandse ingezetenen vooronderstelt'. Ook vindt Couwenberg herkenning bij de Iranese jurist Elian die meent dat integratiebeleid niet alleen op allochtone maar ook op autochtone Nederlanders gericht moet zijn. Zelf haalde ik in 1998 de socioloog Kees Schuyt aan die in 1997 betoogde 'dat een geslaagde integratie, vanuit een situatie van marginaliteit, soms het beste verloopt via bewust gewilde segregatie van bepaalde duur, het herontdekken en bewust erkennen van de eigen cultural roots.' In de zijlijn van de Europese top in mei 1997 vond een subtop over sociale integratie van minderheden en vluchtelingen plaats. In het rapport van deze subtop staat:

'Culturele achtergrond is altijd gekoppeld aan migranten. Maar zij zijn niet de enigen met een specifieke culturele achtergrond. Een verkenning van de meerderheidscultuur door leden van de meerderheid zelf is essentieel in een democratische multiculturele samenleving omdat die te makkelijk als vanzelfsprekend wordt ervaren.'
Levende en geïnternaliseerde kennis van onze nationale cultuur is wat we nodig hebben. Effectiviteit van inburgering verbetert wanneer in politiek, onderzoek, beleid en uitvoering inburgering consequent aangepakt wordt als een wederkerig proces. Dat is wat ook het antropologische kennisarsenaal aangeeft. Inburgering is tweerichtingsverkeer. Een historisch-culturele vergelijking levert een bijzondere inzichten op. Maar eerst: Hoe kunnen we de positie van migranten en vluchtelingen in dat tweerichtingsverkeer bij inburgering omschrijven?