Voorjaar 2007 is gereed een samenvatting van een congresbundel over shamanistische werkwijzen. Winti-praktijk krijgt in de bundel speciale aandacht.

Deze bundel kwam tot stand in samenwerking met lectoren, praktijkdeskundigen waar onder genezers en workshopleiders die een bijdrage leverden of ritueel verzorgden tijdens een internationaal congres over dit onderwerp in december 2004. Eigenaar van de rapportage is mw. E.R. Carter, die Moira Partner Theresia Bernet verzocht presentaties, verhalen en literatuurgegevens te verzamelen. Doel van het Congres was om westerse en niet westerse geneeswijzen nader tot elkaar te laten komen en meer gezamenlijk optreden van deskundigen te bevorderen bij aanpak van psychische problematiek. Wij concludeerden dat bijna zonder uitzondering aanwezigen het geboden congres programma een hoge waardering gaven vanwege de praktische insteek en demonstraties uit de werkpraktijk.

Samenvatting

UITGEZEEFD: MANAGEN VAN BEZIELING

EEN INTERCULTURELE METHODIEK- EN PROGAMMABESCHRIJVING VAN PROJECTEN
ONTWIKKELD DOOR DRS. URMY MACNACK VANUIT EEN STEUNFUNCTIE AMSTERDAM

Voor u ligt een methodiek- en programmabeschrijving van drie jaar genderspecifieke en cultuursensitieve projectontwikkeling. Het methodische is de begeleidingssystematiek die is doorgevoerd in alle projecten. Het programmatische is de organisatorische en coördinerende samenhang die de projecten verbindt. De initiatiefnemer, ontwikkelaar en uitvoerder was SSA te Amsterdam, partner in interculturele vraagstukken in Noord Holland, een zelforganisatie met wortels in de Afro-surinaamse gemeenschap. De organisatie ontwikkelde tot 2006 innovatieve interculturele projecten voor verschillende kwetsbare groepen onder meer rond thema’s werkgelegenheid, onderwijs en opvoeding, prostitutie, huiselijk geweld en aids/HIV problematiek. Subsidie door de Provincie is dit jaar stopgezet vernamen wij in maart van dit jaar. Wij zetten de ontwikkelingen opgestart door drs. Urmy Macnack nog even op rij.

Vanaf 2001 is een serie projecten ontwikkeld en op gang gekomen onder leiding van drs. Urmy Macnack waarin projecten in onderlinge samenhang zijn opgezet. Zij kwam via haar therapeutisch-organisch en coördinerend werk bij verschillende welzijn- en zorg- instellingen in 2000 tot de conclusie dat naast preventieve en curatieve steun voor mishandelde vrouwen ook aandacht voor jongens en mannen nodig is.

Vanuit die gedachten werden twee sporen aangelegd. Één spoor is de begeleiding in (deel) traumatisering en meer greep krijgen op eigen leven en ontwikkelingen voor vrouwen. Een tweede spoor is jongens en mannen preventief te betrekken en te begeleiden bij hun (toekomstige) rolinvulling in relaties en in gezinnen.

In juni 2002 organiseerde Urmy Macnack met collega’s een conferentie getiteld “Tussen Stress en Succes, over de positie van afro-surinaamse jonge mannen in Nederland”. (zie ook eindnoten conferentieverslag) Professor Richard Majors, ervaren in het ontwikkelen en uitvoeren van begeleidingsprogramma’s voor deze doelgroep jongens en mannen, was hoofdspreker. Tijdens het middag gedeelte verzorgde Majors een workshop. Vijf workshops met methodieken en benaderingen voor jongene mannen waren geprogrammeerd.

In 2003 startte programmamanager vanuit SSA met het organiseren van shamanistische workshops voor vrouwen (en mannen) waarin ongeveer 80 vrouwen en 10 mannen zijn getraind om breuken en trauma’s in hun leven te helen. Trainster was de uit de VS afkomstige psychologe-psychotherapeute Namonyah Soipan.

In 2004 zijn de algemene shamanistische workshops herhaald en voor de deelnemers uit 2003 is uitbreiding en verdieping aangeboden in de vorm van een, intensief programma van 4 dagen in Spa, België. Twee voor vrouwen en één voor mannen.

In 2005 zijn opnieuw algemene en intensieve shamanistische workshops georganiseerd. Een practicum van een week in Spa is georganiseerd voor (aankomend) professionals die zich verder bekwamen om met de shamanistische methodiek te gaan werken. Een collectief van deze (aankomende) professionals zette onlangs een V.O.F. op die shamanistische workshops in 2006 zal organiseren. Daarmee gaat het initiatief van SSA over in handen van onafhankelijke professionals en andere betrokkenen buiten SSA en haar netwerken.

Als follow-up op het congres over jongens/jonge mannen in 2002 startte juni 2004 een ‘Train de Trainers’ cursus van 13 dagdelen getiteld Boys in the Picture ontwikkeld door Urmy Macnack en vier docenten waaronder Dirck van Bekkum. Richard Majors was een van de docenten. (zie verslag)

Deze cursus was voor deelnemers een succes. Twee deelnemers vroegen docent co-ontwikkelaar Dirck van Bekkum om een verdieping van de cursus. In samenwerking met SSA ontwierp Van Bekkum eind 2004 een zogenaamd ‘Peercoaching’ traject waarin 10 afro-surinaamse professionals uit Amsterdam-Zuid-oost, de voormalige ‘Bijlmer’ hun eigen interculturele professionaliteit verbeterden met het uiteindelijke doel om projecten voor jongens en voor de Jeugdzorg op te zetten. Najaar 2005 richtte leden uit deze Peercoaching groep een stichting op die onder meer aan een Bachelor opleiding voor professionalisering in de Jeugdzorg bouwt met bijzondere belangstelling voor genderaspecten van allochtone jongens en meisjes. Het voortraject met 50 studenten startte in september 2005. Subsidieaanvragen zijn inmiddels ingediend om in 2006 opnieuw Boys in the Picture cursussen te gaan draaien en om Rite of Passage jongenskampen te organiseren. Bij realisering van aanvragen nemen deelnemers in de projecten geïnitieerd door SSA het initiatief van SSA over.

Geheimen van werkend leren

De Werkartaal-methodiek voor arbeidstoeleiding

Dirck van Bekkum SWP Amsterdam, ISBN: 90 6665 744 8 80 pagina's 1e druk 2006

Flaptekst

Alle instellingen die mensen voorbereiden op een plaats op de arbeidsmarkt zoeken naar een methodiek die aansluit bij de groeiende culturele diversiteit en leerbehoeften onder deelnemers. Dit boek beschrijft de succesvolle methodiek van Werkartaal, een kleinschalige leerwerkplaats in Zeist die in de kleine twintig jaar van haar bestaan ruim zeshonderd deelnemers begeleidde naar betaald en onbetaald werk. Het succes van deze methodiek ligt besloten in het strikt onderhouden leerwerkklimaat, de intensieve persoonlijke begeleiding en de vormende kracht van scheppend werk. Deelnemers kunnen zich onder meer bekwamen in metaal- en houttechnieken, installatie- en elektrotechniek, en fietsenreparatie. Geheimen van werkend leren laat zien hoe de ?ambachtelijke impuls? als motiverend aangrijpingspunt kan dienen om deelnemers over hun onzekerheden en negatieve zelfbeeld heen te helpen. De methodiek van Werkartaal wordt beschreven aan de hand van de leertrajecten van vijf exemplarische deelnemers. Begeleiders en docenten zullen in deze beschrijvingen hun eigen werk herkennen, maar ook waardevolle elementen uit de methodiek kunnen overnemen. Beleidsmakers en bestuurders maken kennis met een verfrissende kijk op beroepsgericht leren en succesvolle arbeidstoeleiding van schooluitvallers en andere kwetsbare werkzoekers.

Voorwoord

Dit boekje is geschreven voor ambtenaren en professionals die jonge mensen begeleiden. Over jongeren die extra steun nodig hebben een schoolopleiding te koppelen aan een loopbaanperspectief. Het beschrijft de ervaringen bij de scholing en begeleiding van deze jongeren in de leer-werkplaats Werkartaal. Deze leerinstelling bestaat nu bijna 20 jaar. In die periode begeleidden de medewerkers meer dan 700 deelnemers. Maar liefst vijfenzeventig procent van hen heeft in de afgelopen vijftien jaar een baan gevonden. Door de werkwijze bij Werkartaal krijgen de jongeren de ruimte om hun eigen leerproces vorm te geven en hun eigen leerstijl te ontwikkelen, zodat zij in het werk dat zij gaan doen hun grenzen kennen. De deelnemer die zijn traject bij Werkartaal met succes afrondt, begint met meer zelfrespect en zelfvertrouwen, een realistisch zelfbeeld en een nieuw en positief toekomstperspectief aan zijn of haar werkend leven. De inspanning om een persoonsgerichte begeleiding, een krachtige leeromgeving en ambachtelijk werk op te zetten en in stand te houden is niet eenvoudig in een bureaucratische samenleving als de Nederlandse. Toch lukt dit de mensen bij Werkartaal al sinds 1989, vaak tegen de stroom in. Dit succes geeft ons een goede reden om terug te kijken op de sterke en zwakke kanten in de werkwijze bij Werkartaal en deze in een boekje vast te leggen. Ouders, politici, bestuurders en professionals zoeken naar alternatieven om jongeren die niet tot de grote groep kansrijke leerlingen behoren, een perspectief te bieden. Deze beschrijving brengt niet alleen het dagelijkse werk bij Werkartaal in beeld. Het succes zit in een manier van (samen)werken die herhaalbaar is voor alle deelnemers die Werkartaal bedient. Deze methodiek is nog steeds in ontwikkeling. Het kan altijd beter, maar de medewerkers bij Werkartaal weten waarmee ze bezig zijn, ieder individueel en samen als team. Dit boekje en de ermee verbonden website brengt Werkartaal in beeld als voorbeeldpraktijk voor de manier waarop een kwetsbare groep jongeren en jongvolwassenen te begeleiden is naar werk. Wij hopen dat de beschreven ervaringen de lezer inspireren. Een team van deskundigen (bijlage 6) heeft in aantal bijeenkomsten meegedacht over de inhoud en vormgeving van de publicatie. Dirck van Bekkum (auteur) en Gert Ruiter (directeur Werkartaal) bedanken hen voor hun waardevolle inbreng. (een exceprt uit het boek) Het krachtenveld rondom Werkartaal De instroom van Werkartaal varieert voortdurend, afhankelijk van het krachtenveld waarin de leerwerkplaats opereert. Veranderende macrofactoren en een veranderende arbeidsmarkt spelen hierin een rol. Er is sinds 2004 sprake van een economisch ongunstige tijd. De werkloosheid ? vooral onder jeugdigen en allochtonen ? is groot. Verder is in de afgelopen tien jaar het hele beroepsonderwijs drastisch veranderd. Landelijke, provinciale en lokale overheden komen met maatregelen, regelingen en financieringsstromen die invloed hebben op de kansen van jongeren op de arbeidsmarkt. Werkartaal zit aan het einde van deze ontwikkelingen en moet voortdurend reageren op de veranderingen om voldoende instroom te houden. Hoe dit precies doorwerkt op de positie van Werkartaal laten de voorbeelden in dit boek zien. Overheid Nederlandse overheden doen er veel aan om meer kwaliteit uit het onderwijs te halen. Tevens zetten ze burgers, vooral jongeren, migranten en oudkomers, onder druk om aansluiting te vinden op de arbeidsmarkt. Twee ministeries zijn zeer actief op het kruispunt van onderwijs en arbeidsmarkt: het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap met het onderwijsachterstandsbeleid (1994), en het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid met de in 2004 ingevoerde Wet werk en bijstand. Beide ministeries hebben voor de uitvoering een grote verantwoordelijkheid gelegd bij het gemeentebestuur (de wethouders van Onderwijs en Sociale Zaken). Het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport oefent met de invoering van de Wet op de jeugdzorg (juli 2006) zijdelings eveneens invloed uit. Vanaf deze datum hebben alle jongeren (en hun ouders!) in Nederland recht op tijdige en adequate hulp bij problemen in hun groei naar volwassenheid. Minder jongeren mogen afhankelijk worden van zware jeugdhulpverlening. De regievoering van de Wet op de jeugdzorg ligt bij de provinciale overheid. Onderwijs Het Nederlandse onderwijsbeleid zoals dit sinds 1994 vorm krijgt, heeft een respectabele ambitie: Iedere leerling heeft bij het verlaten van het onderwijs minimaal een diploma op het niveau van een beginnend beroepsbeoefenaar (kortmbo). Dit niveau dient bereikt te zijn voor het 23ste levensjaar. Iedereen die het onderwijs verlaat zonder deze minimale startkwalificatie, wordt gezien als een voortijdige schoolverlater en als zodanig genoteerd in de onderwijsmonitor van de gemeente van vestiging. Het huidige Gemeentelijke Onderwijs Achterstandenbeleid heeft als een belangrijke prioriteit, te komen tot een afname van het voortijdig schoolverlaten in 2006 met dertig procent. De regie om dit percentage te behalen ligt bij de gemeentelijke wethouder

Onderwijs

In een stad als Utrecht zoekt de wethouder in principe samenwerking met instanties die hieraan kunnen bijdragen. Dit zijn voornamelijk instellingen in het veld van het beroepsonderwijs en de volwasseneneducatie, met name de Regionale Onderwijs Centra (ROC?s). De ROC?s hebben het niet gemakkelijk, als gevolg van de grote veranderingen die zij doormaken door de Wet educatie en beroepsonderwijs. Zij worden steeds meer afgerekend op prestaties, terwijl hun leerlingenaanbod uit het vmbo en de kwalificatie-eisen van de arbeidsmarkt sterk in verandering zijn. De ROC?s voelen zich wél uitgedaagd om leerlingen aan te trekken en vast te houden. Behalve door hun eigen gevoel voor maatschappelijke verantwoordelijkheid komt dit ook door de bekostigingssystematiek van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap waarmee dit ministerie de ROC?s deze verantwoordelijkheid oplegt. Het vmbo: te theoretisch voor veel zorgleerlingen ?In 1999 startte men met het voorbereidend middelbaar beroepsonderwijs om zoveel mogelijk leerlingen de kans te geven een diploma telen, ook leerlingen met leerachterstanden of gedragsproblemen. Leerlingen met problemen moesten zoveel mogelijk in deze vorm van onderwijs worden opgevangen, niet meer in speciaal voortgezet onderwijs. Jaarlijks wordt 350 miljoen euro uitgetrokken voor extra zorg aan deze zwakkere leerlingen. Het vmbo-onderwijs blijkt echter voor veel leerlingen met problemen te theoretisch te zijn. Er zou meer praktijkgericht onderwijs moeten komen in het vmbo. Verder blijken niet alle docenten voldoende te zijn toegerust om zorgleerlingen goed te kunnen begeleiden en is er vaak onvoldoende geld om alle leerlingen met problemen de benodigde zorg te kunnen bieden. De Algemene Rekenkamer signaleert dat een aantal zorgleerlingen in het huidige vmbo niet op zijn plek is. Het laagste onderwijs- en examenniveau (waar het merendeel van de zorgleerlingen op aangewezen is) is moeilijker geworden vanwege de eisen die de basisvorming stelt. Voor veel zorgleerlingen is het onderwijs te theoretisch, maar er zijn vaak niet voldoende praktijkgerichte leerwerktrajecten beschikbaar. Dat is ook afhankelijk van de beschikbaarheid van leerplekken bij werkgevers (...),? (Algemene Rekenkamer, 2005). Utrecht als voorbeeld In Utrecht hebben in 2004 ongeveer drieduizend jongeren het onderwijs voortijdig verlaten. Meer dan de helft van hen was afkomstig uit families met een migrantenachtergrond. Een ander deel van de leerlingen is vanuit het vmbo verwezen naar het praktijkonderwijs (leerlingen met een IQ lager dan tachtig) en zou eigenlijk bij het cijfer van de voortijdig schoolverlaters opgeteld moeten worden, omdat hun verwijzing naar het praktijkonderwijs samenhangt met een sociaal-emotionele achterstand. Uit onderzoek komt naar voren dat kinderen die uit een etnische minderheid komen en tevens een sociaal-economische achterstand hebben, oververtegenwoordigd zijn in dit onderwijs. Verder vormen jongens duidelijk de meerderheid. Behalve problemen met het kennisniveau lijken ook motivatieproblemen en problemen van sociaal-emotionele aard steeds vaker de doorslag te geven om de onderwijsloopbaan af te breken. Veel jongeren voelen zich in het beroepsonderwijs niet zo op hun plaats en niet uitgedaagd. In het Utrechtse beleid Voortijdig School Verlaten worden oplossingen gezocht in het aanbieden van individueel maatwerk en nieuwe onderwijsconcepten als ?contextrijk leren? en ?natuurlijk leren?, en voorts in een kleinschaliger leeromgeving en portfolio en in taalbeleid. De betrokkenen in Utrecht willen ook de kloof tussen vmbo en mbo kleiner maken. Verder is het streven de leerlijnen, maar ook de zogenaamde zorglijnen van de jeugdhulpverlening beter op elkaar te laten aansluiten. Deze hele operatie zal zeker vijf jaar in beslag nemen. In die periode zullen deze maatregelen voor veel leerlingen te laat komen. Zij zullen deel gaan uitmaken van de groep voortijdige schoolverlaters. Komen deze leerlingen na hun 23ste zonder werk te zitten en kloppen zij dan aan bij het Centrum voor Werk en Inkomen (CWI), dan krijgen zij daar te maken met het beleid van de wethouder van Sociale Zaken. Dit confronteert hen met het feit dat zij geen afgeronde beroepsopleiding hebben en dus een startkwalificatie voor de regionale arbeidsmarkt ontberen. Met inzet van het pressiemiddel dat de uitkering bij jongeren die niet meewerken gekort of geweigerd wordt, zal de wethouder er alles aan doen om de jongeren uit de bakken van het CWI en aan het werk te krijgen. De wethouder moet sinds de invoering van de Wet werk en bijstand zelf met zijn gemeentelijk budget zien uit te komen. Hij is dus gebaat bij het bestaan van diverse mogelijkheden om deze jongeren te begeleiden. Leerwerktrajecten, werkstages en vrijwilligerswerkzaamheden met begeleidende vorming zijn dan de meest voor de hand liggende mogelijkheden om te benutten. In een regio als de stad Utrecht zullen de komende jaren specifieke groepen mensen extra in beeld zijn: de groep migranten-oudkomers en die mensen die uit een (jeugd)hulpverleningstraject komen en weer aansluiting zoeken bij de arbeidsmarkt. Voor beide groepen werkzoekenden is maatwerk onontbeerlijk....."