Onderweg naar vraaggestuurde zorg, jeugdgezondheid zorg als schakel tussen preventie en curatie

Excerpt uit: Dirck van Bekkum & Tonny Filedt Kok-Weimar,in: Maandblad voor Geestelijke Gezondheidszorg, 55, nr. 6/7, 2000

‘…..Wetten worden gemaakt om rechten, plichten en belangen van burgers te waarborgen. De manier waarop een wet is opgebouwd en geformuleerd, heeft daar directe invloed op. Vorm en inhoud zijn ook op dit niveau niet te scheiden. In de nieuwe Wet op de Jeugdzorg worden rechten en belangen van ouders en kinderen met hulpvragen geregeld en de commissie Günther maakt in haar rapport van december 1999 die hulpvragen van kinderen en hun ouders tot uitgangspunt: ‘Het Bureau Jeugdzorg werkt vraaggestuurd’ (Günther, 1999, p. 23). De commissie legt niet verder uit wat ze daarmee bedoelt.

  1. Kan de nieuwe wet zo geformuleerd worden dat het principe van vraaggestuurdheid consequent als leidraad dient voor het organiseren, niet alleen op het niveau van ministeries, maar ook op dat van provincies, van gemeentes en van directies van instellingen, van de jeugdzorg en het jeugdbeleid? Het consequent versterken vraaggestuurde ondersteuning zal het probleemoplossend vermogen van families kunnen vergroten. Families, ouders en overheid hebben veel gemeenschappelijke, maar soms strijdige belangen.

(Noot 1) De kwaliteit en effectiviteit van de jeugdzorg zou toenemen indien in de nieuwe wet de belangen van de overheid in het grootbrengen van jonge nieuwe burgers afgewogen worden tegen die van families, ouders en kinderen. De jeugdgezondheidszorg werkt al heel lang en steeds meer vraaggestuurd en kan de afstand tussen preventieve en curatieve jeugdzorg overbruggen.

Werkelijk vraaggestuurde jeugdzorg voorziet in een grote behoefte van gezinnen aan snelle en passende hulp. De belangen van ouders, die hulp vragen of nodig hebben, vallen lang niet altijd samen met de belangen van de overheid om nieuwe burgers groot te brengen. Recht op hulpverlening is niet hetzelfde als het belang van een veilige en stabiele omgeving. Kinderen en hun ouders hebben stabiliteit, voldoende inkomen en een prettige, veilige (woon) omgeving nodig. De commissie noemt deze groeizame (ontwikkelingsgerichte) omgevingen fysieke en sociale contexten: gezin, dagverblijf, school, kerk (over moskee en hindoeïstische tempel hoor je haar niet), peuterspeelzaal, buurt, sportclub, stad en vriendenkring. Het zo-zo-zo beleid van de bestaande wet op de jeugdhulpverlening (hulp dient zo vroeg, zo snel, zo kort, zo licht en zo passend mogelijk te zijn;.zo lang mogelijk thuis of in de familie kan daaraan nog worden toegevoegd) kan met dit uitgangspunt worden aangepast. Vraaggestuurd werken betekent dat de belangen van het kind en de behoeften van de ouders altijd en overal in het beleid en organisaties uitgangspunt voor aanbod zijn.

Hoe worden de verschillende, in het rapport Günther genoemde, sociale contexten met elkaar in verband gebracht? Hoe koppelen ouders die contexten? Zij zijn als eerste verantwoordelijk voor de groei van hun kinderen en een samenhangend systeem van veilige en groeizame contexten zal beter toegeruste kinderen produceren. Om optimale groei omstandigheden voor hun kinderen te organiseren koppelen, vooral moeders, familie, andere ouders, sociale netwerken in de buurt, school en onderwijzers, leraren enzovoorts. Maar waar en hoe volgt de preventieve en curatieve jeugdzorg ouders om zo vroeg mogelijk te reageren als het niet goed gaat? Dat doen preventieve professionals en sleutelpersonen, waaronder de jeugdarts en leraren. De wijkagent voor de straat, de intern begeleider voor de school, de jongerenwerker voor het buurthuis, het arbeidsbureau voor werk, de pastoor of imam voor de zingeving, maatschappelijk werk voor de materiele en immateriële hulpverlening, de sporttrainer het sportveld et cetera. Deze mensen signaleren vroegtijdig en geven de signalen door. Waar nodig koppelen zij de sociale contexten van ouders en hun kinderen en bieden zonodig preventieve ondersteuning of passende hulpverlening. Hoe meer samenhang de wereld voor kinderen krijgt, des te beter worden ouders ondersteund en des te sterker zijn de waarborgen voor vraaggestuurd werken…..’

Personalia
Drs. H.J. van Bekkum (1947) is cultureel antropoloog, adviseur jeugdbeleid-jeugdzorg en partner in adviesbureau Moira CTT te Utrecht. www.ctt.nl
T.L. Filedt Kok-Weimar (1943) is jeugdarts en cursusleider Jeugdartsenopleiding bij het Instituut TNO Preventie en Gezondheid te Leiden.

Noot 1 Familiecontinuïteit is een paradigmatisch én een hulpverleningsconcept uit Groot Brittannië, Australië en de Verenigde Staten. De methode is afkomstig van Maori en Australische aboriginal groepen en gaat uit van het probleemoplossende vermogen van grootfamilies: ouders, kinderen, opa’s, oma’s, ooms en tantes). Vanuit eigen ervaring en uit de systeemtherapie weten we dat grootouders een deels ander en scherper zicht hebben op de belangen van hun kleinkinderen dan de (bijvoorbeeld scheidende) ouders. Dat zijn hun (schoon)zonen en schoondochters. In probleemsituaties kan deze ‘derde generatie deskundigheid’, maar ook de kijk van tantes en ooms een belangrijke en positieve rol spelen (Tjin A Djie & Jessurun, 2000). Er bestaat een groeiende belangstelling voor methodieken en instrumenten die families in staat stellen hun problemen zoveel mogelijk zelf op te lossen. Verschillende van deze eigenmachtig makende (empowering) en vraaggestuurde (clientcentered) programma’s worden al in de jeugdzorg geïntroduceerd. NIZW, de stichtingen Family Continuity International en Op Kleine Schaal ontwikkelen en implementeren in Nederland methodieken zoals Client-Oriented-Need-Assessment (CONA), Familie Raad en Echt Recht. Gezinnen en grootfamilies krijgen in deze methodieken een grotere rol in het vaststellen en uitvoeren van hulpverleningstrajecten. Informatie hierover bij de auteurs.